De zingende berserker

 

In de nacht van 26 op 27 januari 1972 kreeg ik een opmerkelijke droom. De inhoud hiervan was mede beïnvloed was door een boek van Roger Lancelyn Green over Scandinavische mythen en sagen. Ik had dat boek zojuist gelezen en was onder de indruk geraakt van de figuur van Odin die als aanvoerder van de goden van de bovenwereld een bittere strijd tegen de reuzen moest voeren. Merkwaardig in de Scandi­navische mytholo­gie is dat Odin deze strijd niet kan winnen. Vanaf de eerste dag van de schepping weet hij dat op een zekere dag de hele wereld zal vergaan. Dit is de dag van de godensche­mering, de dag van de laatste grote strijd. Dit levensgevoel beheerst ook de verschillende sagen uit Scandina­vië. Ze eindigen vol­gens Green ‘alle drama­tisch, of de held nu Gunnar, Grettir of Sigurd zelf was: zij geven het beeld van de dappere die tever­geefs strijdt tegen het nood­lot.’ (Scandinavische mythen en sagen, p. 8) En toch is Odin niet defini­tief ten onder gegaan. Hij leeft nog, zoals blijkt uit de droom:

 

‘Onweer. De lucht is donker. Ik bevind mij op een land­weg. Ik teken een bliksem in de lucht. Ik ben groot. Dan voel ik een enorme opwinding. Een gouden lichtstroom breekt van rechts door het landschap. De bron zelf, de zon, kan ik niet zien. Wel zie ik een groen weiland, groepen bomen in de kleuren groen, blauw en geel. Voor mij is nog steeds de landweg. Links sprin­gen schaapjes. ‘Oh, God,’ denk ik, terwijl ik een soort gezoem gewaar­word dat mij ‘opheft’ bij mijn ruggenmerg. Ik schrik en wil wakker worden. Daarop zie ik links in zwart-wit een sober kerkraam en rechts een man met een hoed diep over zijn hoofd getrokken.’

 

Toen ik uit deze droom ontwaakte, associeerde ik de man met de hoed met Odin of Wodan, de oppergod van de Germanen. Een van de verschijningsvormen van Odin is Gangleri, de ‘Gaande’,  de ‘Zwerver’ die een hoed met brede rand draagt die zijn voorhoofd verbergt. Hij heeft maar één oog, omdat hij het andere heeft ingeruild voor een slok uit de bron der wijsheid die in de diepste diepte der aarde door de wijze reus Mimir wordt bewaakt.

 

In De dertien tonen van de schepping heb ik beschreven hoe ik na deze droom geleidelijk aan in paniek raakte totdat ik op een avond heel kwaad op Onze Lieve Heer werd en hem duidelijk maakte dat ik op mijn negentiende onmogelijk de last van een Noord-Europese god kon dragen. Door die ontlading daalde een vredig gevoel over mij heen. De volgende dag trof ik in De Slegte het boek Zahl und Zeit aan van dieptepsychologe Marie-Louise von Franz. Ik was gered. Von Franz bood met haar beschouwingen over orakelkunde en synchroniciteit een kader aan waarin ik mijn ervaring van Odin of Wodan kon integreren.

 

Marie-Louise von Franz (1915-1998).

 

34 jaar later kon ik in De dertien tonen van de schepping maar in beperkte mate ingaan op het verband tussen Wodan en Zahl und Zeit. Maar het lijkt erop dat ik onbewust was geleid naar een dieptepsychologe die zelf ook een band met Wodan had. Marie-Louise von Franz werd op 4 januari 1915 gebo­ren te München. In een artikel in de Zürich­see-Zeitung ter ere van haar 75e verjaardag merkte dieptepsy­choloog Alfred Ribi op dat Marie-Louise met de helm geboren werd. In het Duits heet de helm ‘Glücks­haube’. Ribi legde uit: ‘De helm is het niet gescheurde vlies waarin het kind geboren wordt. Hij maakt het ademhalen onmoge­lijk, wan­neer het vlies niet vol­doende snel gebroken wordt. Dergelijke geluks­kinderen, zo luidt het volksge­loof, worden hetzij berserkers of sjamanen (genezers). Marie-Louise von Franz is beide gewor­den.’ (Alfred Ribi, ‘Ein Leben lang auf Entdeckungsreise in den Tiefen der Seele’)

 

Een berserker is letterlijk iemand die een berenvel draagt. Von Franz schrijft er zelf over: ‘Tot berserker worden was in bepaalde Germaanse fami­lies van krijgers een erfelijke para­psy­chologische gave die zich als goddelijke extase, als een soort “heilige toorn” uitte. Over zulke mensen werd gezegd dat ze bewusteloos als dood op de grond vielen, waarbij hun ziel hun lichaam in de gestalte van een beer verliet, om dan in de veldslag te keer te gaan en alle vijan­den om te brengen, soms ook bij vergis­sing de eigen mensen.’ (‘Der verwandelte Ber­serker’, Arche­typische Dimensi­onen der Seele, p. 54).

 

Ik vermoed dat Ribi het niet al te letterlijk meende toen hij Von Franz een berserker noemde. Waarschijnlijk bedoelde hij dat de door hem vereerde diepte­psychologe een diepe relatie met de beer als donkere kant van God had. Zelf merkt Von Franz over het symbool van de beer op dat deze in de richting van Wodan wijst. Wodan heette onder meer “Berenklauw”, terwijl de dondergod Donar, een zoon van Wodan, vaak Björn (Beer) werd ge­noemd. In een artikel over de Zwitserse beschermheilige Niklaus von Flüe schrijft Von Franz over de betekenis van de beer:

 

‘In het Oude Testa­ment verte­genwoor­digt de beer de donkere kant van JHWH (de Here) en bij de Noordse sjamanen is de beer de gestalte die het meest als hulpvaardige geest en als bond­genoot op­treedt. In de meeste landen van Noord-Europa was de beer vroe­ger zo heilig dat men van hem enkel als “vad­er”, “heilige man”, “heilige vrouw”, “wijze vader”, “Goudvoet” etc. sprak.’ (‘Der verwandelte Ber­serker’, Arche­typische Dimensi­onen der Seele, p. 54).

 

Niklaus von Flüe, oudste van hem bekende beeld (Wikipedia).

 

Het Germaan­se ‘tot berserker worden’ betekende ongetwij­feld een vorm van beze­tenheid. Maar de donkere kant van God kan ook symbolisch in het individu geïnte­greerd kan wor­den. Dit was het geval bij Niklaus von Flüe. Dat baseert Von Franz onder meer op een visioen van broe­der Klaus waarin een pelgrim aan hem ver­schijnt die van de plaats afkom­stig is ‘waar in de zomer de zon opgaat.’ Deze pelgrim draagt aanvankelijk een hoed en een mantel. Maar later veran­dert zijn kledij: ‘[De pelgrim] stond voor [Von Flüe] en was met een bere­nvacht bekleed, met broek en jas. De berenvacht was bespren­keld met een gouden kleur. Maar hij zag, en hij wist wel, dat het een vacht van een beer was. De berenvacht stond hem bijzonder goed.’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, p. 81)

 

Hier is het niet Niklaus von Flüe zelf die tot berserker wordt. Een onbekende zwerver verschijnt aan hem die uiteinde­lijk een berserker blijkt te zijn. Deze onbekende draagt aanvankelijk net zoals Wodan als zwerver een mantel en een hoed. Maar de onbekende staat niet vijandig tegen­over het christendom. Wanneer hij op broeder Klaus afstapt, zingt hij ‘Halleluja’ oftewel hij prijst de Heer. De tekst van het visioen luidt verder:

 

‘En toen hij begon te zingen, weer­galmde zijn stem en [het aardrijk en] alles wat tussen de hemel en het aard­rijk was, onderhield [d.w.z. ondersteunde] zijn stem, zoals de kleine orgelpijpen de grote. En hij hoorde uit één oorsprong drie volkomen woorden naar voren gebracht en weer opgesloten in een slot, zoals een veer die zeer sterk sluit. En toen hij de drie volkomen woorden, waar­van geen enkele de andere beroerd had, gehoord had, kon hij toch niet anders spreken dan van één enkel woord. En toen hij dit gezang vol­tooid had, bad hij de mens om een gift. En hij [broeder Klaus] had een pen­ning in zijn hand en wist niet waarvandaan die gekomen was. En hij [de zwerver] deed zijn hoed af en ontving de penning in de hoed.’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, pp. 70/71)

 

Dit is het moment dat de onbeken­de afscheid van broeder Klaus gaat nemen. Zijn berenvacht lijkt daarbij te glanzen als de schitte­ring van een wapen: ‘En toen hij [de zwerver] van hem weggegaan was, vier schreden of zo, keerde hij zich om en had zijn hoed weer op. Hij deed hem af en maakte een bui­ging en nam afscheid van hem. Toen ervoer [Von Flüe] aan hem een dergelijke liefde die hij hem toebedeelde, dat hij geheel en al in zichzelf getroffen werd en bekende dat hij deze liefde niet ver­diende. En hij erkende dat de liefde in hem was. En hij zag in zijn geest dat zijn aangezicht en zijn ogen en zijn hele lichaam vol minne-rijke deemoed was zoals een vat dat met honing gevuld is, zodat geen druppel meer erbij past. Toen zag hij hem [de zwerver] verder niet meer, maar hij was zo verza­digd van hem dat hij niets meer begeerde. Het scheen hem dat hij hem alles had meegedeeld wat in de hemel en op aarde was.’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, p. 81)

 

Het glanzen van de vacht duidt aan dat de pelgrim een goddelijk wezen is. Over het vat vol honing schrijft Von Franz schrijft dat het Germaans van karakter is ‘wanneer men aan de minne­beker van de Germanen denkt; want honing is een wezenlijk bestanddeel van de dichtermede die extase verleent en honing bevindt zich ook in nectar, de drank van de onsterfelijk­heid.’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, p. 86) De honing betekent hier een bijzon­dere vorm van Eros die op een diepe verbondenheid van al het geschapene wijst. Want uitein­delijk is broeder Klaus zo verza­digd dat hij het gevoel heeft dat de zwerver aan hem alles geopenbaard heeft wat er tussen hemel en aarde is.

 

Carl Gustav Jung in zijn werkkamer.

 

Von Franz duidt het zingen van de pelgrim in de richting van wat Carl Gustav Jung synchro­niciteit noemt. Synchroniciteit is het prin­ci­pe van zinvolle coïncidentie. Het gaat hierbij om uiterlijke gebeurtenissen die op wonderbaarlijke wijze in een zinvol verband tot ons innerlijk levensproces staan. Synchroniciteit verwijst naar zinvol­le overeenstemming. Van oudsher wordt dit verschijnsel met een muzikaal karakter van de schepping ver­bonden. En dat betekent dat ook Wodan als heer van synchroni­citeit in beeld komt. Het leger van seeligen Lüte (zalige zielen) dat de oppergod der Germanen bij zijn nachtelijke zwerftochten volgt brengt prach­tige muziek voort, wanneer hun heer in een goede stem­ming is. Von Franz meent nu:

 

‘In het visioen van broeder Klaus is het echter de voorname zwer­ver zelf die de muziek voort­brengt – en de hele kosmos ant­woordt hem. Dit herinnert aan de hippo­kratische idee van de “oelome­liè”, een holistisch op elkaar afgestemd zijn van alle dingen in de natuur, en in deze kosmi­sche “harmonie” schijnt de zwerver als het ware de sleu­telpo­sitie te bezitten. Dit zou wel naar het fundament van afzon­der­lijke synchronici­teits­ver­schijnselen kunnen ver­wijzen. We gebruiken immers vaak bij het plotseling beleven van een zinvolle samenhang uitdruk­kingen die van een slot en sleutel stammen: in het Engels ‘it clic­ked’, in het Beiers ‘jetz hot’s gschnakelt.’ Ook de steen der wijzen werd daarom door de alchemisten vaak met de ‘sleu­tel van David’ vergeleken ‘die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent’ (Apocalyps 3:7).’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, pp. 74/75)

 

Ik heb gepoogd dit woord oelomeli-è te ontcijferen. In het oud-Grieks betekent oelos ‘geheel, ongedeerd’, terwijl melos als ‘lyrisch lied’, ‘melodie’, ‘wijs’ en ‘toon’ vertaald kan wor­den. De aan de Griekse geneesheer Hippokrates toege­schre­ven uit­spraak over oelomeliè luidt in het Nederlands dan ongeveer als volgt: ‘Eén samen­stromen, één samen-ademen, alles tezamen gewaarwordend. Alles met het oog op het geheel (het oelome­li-èn), met het oog op het deel, maar de in elk deel aanwezi­ge delen met het oog op de werking. Het grote beginsel reikt tot in het uiterste deel, uit het uiterste deel komt het in het grote beginsel, één natuur, het zijn en het niet-zijn.’ (Carl Gustav Jung, Synchroniciteit, eindnoot 76, p. 118) Deze duistere passage heeft betrekking op wat in het dage­lijks spraak­ge­bruik ‘de sympathie van alle dingen’ heet, maar strikt geno­men gaat het enkel om de onderlinge sympa­thie tussen dingen die heel, gaaf, onge­deerd zijn.

 

Jung duidt de regels uit het Hippokratisch geschrift in zijn artikel over synchroniciteit zo dat de oelome­liè betrek­king heeft op de hele mens, op de micro­kos­mos die de innerlij­ke mens en de uiterlijke mens omvat. Deze microkos­mos is ‘dat kleinste deel waarin het “grote begin” (archè megalè) onge­deeld aanwezig is.’ Tevens meent hij: ‘De micro­kosmos is in de alchemie van gelijke betekenis als het zogehe­ten rotundum, een sinds Zosimos van Panopolis (derde eeuw) geliefd symbool dat ook als monas werd aange­duid.’ (Synchroniciteit. p. 81) Het rotun­dum is het ronde element, de cirkelvorm die de eenheid van de vier elementen aarde, water, vuur en lucht symboliseert. De monas is het ene, on­deelbare. Beide begrip­pen, rotundum en monas, verwijzen naar de mens als microkos­mos. En deze micro­kosmos is dus het klein­ste deel waarin het grote geheel nog ongedeeld aanwezig is. Het ronde element vormt daarmee de sleutel tot de sympa­thie der dingen, de sleutel die niemand kan openen of sluiten, een sleutel die je blijk­baar ook niet zomaar ter hand kan nemen. Het is de sleu­tel die zo in het slot moet vallen dat het klikt.

 

Wodan is met deze ervaring van de kosmos verbonden en heeft via de runen die hij ontdekt heeft ook een duidelijke relatie met ora­kelkun­de. In de Thora, de vijf boeken van Mozes, wordt de heidense orakelkun­de door JHWH, de God van Israël, min of meer veroordeeld. Om deze reden merkte Jung eenmaal tegenover Marie-Louise von Franz op dat Wodan twee trekken bezit ‘die aan JHWH ontbreken: een intensieve relatie tot de kosmische natuur en de kunst van het werpen van het lot en van de runen­kun­de waarvan Wodan de heer is – d.w.z. het gericht-zijn op het principe van synchro­nici­teit.’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, p. 129) Hier­uit conclu­deert Von Franz:

 

‘Deze twee karak­tertrekken ontbre­ken bijna geheel aan de figuur van JHWH en zijn blijk­baar toch bestand­delen van een integraal godsbeeld dat niet alleen het donkere, boze, maar ook de kosmische natuur en de openbaring van zin in synchro­nistische gebeurte­nissen schijnt te omvat­ten. Enkel door aan deze karaktertrek­ken aan­dacht te geven is namelijk een indivi­duele ontmoeting met het goddelij­ke “hic et nunc” (hier en nu) mogelijk waarbij ook de genius loci (de geest van de plek) en de omgevende natuur zinvol in de psy­chische sfeer betrok­ken zijn en [aan het individu] alles als de “ene kosmos” laten ver­schijnen. Dit betekent echter in psycho­lo­gisch op­zicht een ongehoorde op­waardering van de zin die in het leven van het individu besloten ligt – een toena­me aan betekenis die hem aan de grens van een vergoddelijking brengt en aan zijn bewust begrip en ethisch hande­len het grootste ge­wicht ver­leent.’ (Die Visionen des Niklaus von Flüe, pp. 129/30)

 

 

Referenties:

 

Herbert van Erkelens, De dertien tonen van de schepping, Symbolon, Amstelveen, 2006.

Alfred Ribi, ‘Ein Leben lang auf Entdeckungsreise in den Tiefen der Seele’, Zürichsee-Zei­tung, Nummer 2, Donner­stag 4. Januar 1990.

Marie-Louise von Franz, ‘Der verwandelte Ber­serker’, Arche­typische Dimensi­onen der Seele, Daimon Verlag, Einsiedeln, 1994.

Marie-Louise von Franz, Die Visionen des Niklaus von Flüe, Daimon Verlag, Zürich, 2. erweiterte Auflage, 1980.

Carl Gustav Jung, Synchroniciteit. Een acausaal verbindend beginsel, Lemniscaat, Rotterdam, 2e druk, 1981.

 

2 reacties op “De zingende berserker

  1. Wat heel knap Herbert, dat je de droom zo goed onthouden hebt en van uit die droom, bent gaan zoeken en je allerlei dingen aangerijkt krijgt Prachtig!

  2. Een aantal synchroniciteiten ervaren die verband lijken te hebben met je schrijven. Je schrijven helpt me een en ander iets beter te plaatsen.
    – Vorige week tijdens een meditatie werd ik een verborgen wereld gewaar waar zich reuzen ophielden
    – Was afgelopen zaterdag in een kristallenwinkel waar een man met een hoed aanwezig was die mij hielp kristallen uit te kiezen. De uiteindelijke keuze waren 2 stenen die uitbalanceerden en als een sleutel in een of ander innerlijk slot pasten
    – Van de week besloot ik in een meditatie uit de lineariteit te stappen en te kijken wat er dan gebeurde. Er ontstond een spontaan gezang uit de diepte, een HalleluJah. Niet een prijzen van een Jah in de hoogte, wat ik al eens ervaren had, maar een donkere uit de diepte, de Jah uitte zich uiteindelijk in een klank door mijn hart

    (geen beer gezien overigens 🙂 )

Geef een reactie